zaterdag 18 juli 1998

Religie in psychologisch persectief




Godsdienstwetenschapper Erwin R. Goodenough combineerde twee belangrijke uitdrukkingswijzen, de oude religieuze notie van de sluier die de godheid bedekt en Freuds psychologische theorie van de verdringing, en bracht toen het volgende naar voren (The psychology of Religious Experiences, New York 1965, p. 181):

‘De mens hangt een gordijn op tussen zichzelf en het tremendum en op dat gordijn projecteert hij de verhalen over hoe de wereld ontstond, afbeeldingen van goddelijke of bovenmenselijke machten of wezens die het universum en de mens beheersen, en ook codes voor ethiek, gedrag en ritueel die hem voordeel brengen en geen rampen. Zo heeft de mens zich overal beschermd met behulp van de religie.’

Paul Pruyser (Between Belief and Unbelief, New York 1974) concludeert dan het volgende: ‘Wat voor namen men ook gebruikt: gordijn, sluier, muur, de deken der verdringing, de drempel van het bewustzijn – de kern van Goodenoughs stelling is dat het tremendum door de waarnemer ervan op afstand wordt gehouden, omdat een rechtstreeks contact ermee te gevaarlijk is. Rudolf Otto had al opgemerkt dat in de religieuze beeldspraak veel aanwijzingen te vinden zijn dat mensen een soort veiligheidsschild nodig hebben wanneer ze tot het heilige naderen. Ze houden hun handen voor hun gezicht. De mens probeert dus het tremendum te bedekken: hij werpt er een dekmantel overheen om de krachtige en misschien explosieve inhoud te bedekken, en op die bedekking tekent hij beelden, getallen, hiëroglyfen, woorden en diverse symbolen om aan te geven wat er zich daaronder zou kunnen bevinden. De hoes verbergt, de tekeningen openbaren, maar men kent wat eronder zit nooit volledig.’