zondag 27 juli 2008

William James over onsterfelijkheid

Onlangs las ik een beroemd essay van William James (1842-1910): “Human Immortality: Two Supposed Objections to the Doctrine”. Een werkelijk prachtig stukje werk, waarin hij een zeer originele bijdrage levert aan het hele debat over de mogelijkheid of onmogelijkheid van een onsterfelijke ziel.

Het essay is feitelijk een lezing die James hield. De lezing begint dan ook met wat informeel blabla, maar dan komt James los. Hij stelt dat onze moderne cultuur een probleem heeft met het denken over a life hereafter. Het probleem is dat door fysiologen en in veel populaire wetenschappelijke werken en tijdschriften voortdurend wordt gesteld dat ons spirituele leven volstrekt afhankelijk is van hersenprocessen. Hoe kunnen we nog in een leven na de dood geloven –
when Science [let op de hoofdletter!] has once for all attained to proving, beyond possibility of escape, that our inner life is a function of that famous material, the so-called ‘gray matter’ of our cerebral convolutions? How can the function possibly persist after its organ has undergone decay?

Immers, als we naar menselijke gedragingen kijken, dan zien we dat menselijk bewustzijn sterk verbonden lijkt met hersenfenomenen. We weten dat bepaalde gebieden in de hersenen betrokken zijn bij zien, horen, spreken, etc. Dit leidt tot de centrale formule die James opstelt: Thought is a function of the brain. En hij vraagt het publiek (en daarmee de lezer) om deze formule uiterst serieus te nemen. De vraag die vervolgens echter rijst is, of deze formule logically compelling is om het geloof in onsterfelijkheid overboord te gooien.

De meeste mensen, zo zegt James (en we kunnen het hem nog steeds nazeggen), zouden hier volmondig ‘ja’ op antwoorden. Ja, we moeten geloof in onsterfelijkheid overboord gooien als onze geestelijke vermogens te herleiden zouden zijn tot louter hersenprocessen. James echter meent dat het fout is en dat de formule in strict logic no deterrent power heeft.

Het eerste punt is dat we veelal geneigd zijn om de relatie tussen onze geestelijke vermogens en het brein strikt te bekijken vanuit het perspectief van slechts één functionele afhankelijkheid, namelijk die van productie: dat denken een functie van het brein is, wordt equivalent gedacht aan uitspraken als “stoom is de functie van een waterkoker” of “licht is een functie van het electrische circuit” of “electriciteit is een functie van de waterval”. De functie is in al deze voorbeelden productief: het een brengt het ander voort. En ja, als het orgaan wat de functie produceert ermee ophoudt, zodat de productie niet langer kan doorgaan, then the soul must surely die. Such a conclusion as this is indeed inevitable from that particular conception of the facts.

Maar de vraag is of deze particular conception of the facts juist is. Er is namelijk nog een andere visie mogelijk. Als we door een prisma kijken, dan valt het licht uiteen in verschillende kleuren. Het glas van het prisma heeft een “doorgevende” (transmissive) functie: The energy of light, no matter how produced, is by the glass sifted and limited in color, and by the lens or prism determined to a certain path and shape.

James’ these nu is dat when we think of the law that thought is a function of the brain, we are not required to think of productive function only; we are entitled also to consider permissive or transmissive function.

Maar op wat voor manier moeten we ons die doorgevende functie van het brein voorstellen? Stel, zegt James, dat er onder de zichtbare werkelijkheid nog een onzichtbare werkelijkheid is, en dat onze zichtbare werkelijkheid slechts een vernislaagje is dat die andere wereld verbergt en terughoudt. En stel verder dat af en toe dat vernislaagje wat dunner wordt en iets van de stralen van die andere werkelijkheid doorlaat. These beams would be so many finite rays, so to speak, of consciousness, and they would vary in quantity and quality as the opacity varied in degree.

En stel nu vervolgens –
that our brains are such thin and halftransparent places in the veil. What will happen? Why, as the white radiance comes through the dome, with all sorts of staining and distortion imprinted on it by the glass, or as the air now comes through my glottis determined and limited in its force and quality of its vibrations by the peculiarities of those vocal chords which form its gate of egress and shape it into my personal voice, even so the genuine matter of reality, the life of souls as it is in its fullness, will break through our several brains into this world in all sorts of restricted forms, and with all the imperfections and queernesses that characterize our finite individualities here below.

According to the state in which the brain finds itself, the barrier of its obstructiveness may also be supposed to rise or fall. It sinks so low, when the brain is in full activity, that a comparative flood of spiritual energy pours over. At other times, only such occasional waves of thought as heavy sleep permits get by. And when finally a brain stops acting altogether, or decays, that special stream of consciousness which it subserved will vanish entirely from this natural world. But the sphere of being that supplied the consciousness would still be intact; and in that more real world with which, even whilst here, it was continuous, the consciousness might, in ways unknown to us, continue still.

You see that, on all these suppositions, our soul’s life, as we here know it, would none the less in literal strictness be the function of the brain. The brain would be the independent variable, the mind would vary dependently on it. But such dependence on the brain for this natural life would in no wise make immortal life impossible, – it might be quite compatible with supernatural life behind the veil hereafter.

Onze hersenen functioneren dus als een soort tv-toestel of radio dat signalen opvangt, filtert en omzet, en vervolgens in andere vorm (nl. beeld en/of geluid) doorgeeft. Ons bewustzijn is datgene wat wordt doorgegeven. Je ziet dus, zegt James, dat het materialisme een heel eenzijdige benadering van het woord “functie” heeft. En het zou wel van een zekere irrationaliteit getuigen als we een alternatief voor de materialistische visie moedwillig zouden negeren.

Maar is deze visie dan niet strijdig met de wetenschap? Nee, zegt James, want als je goed kijkt naar de wetenschappelijke data, dan zie je dat die slechts kan aantonen dat bewustzijn vergezeld gaat van hersenactiviteiten en vice versa. Er is dus sprake van bare concomitant variation. Als de hersenactiviteit verandert, verandert de bewustzijnstoestand – maar opnieuw, impliceert dit logisch noodzakelijk dat de bewustzijnstoestand voortkomt uit, geproduceerd wordt door de hersenactiviteit? Nee dus. We zien slechts beide samen voorkomen, maar dat impliceert niet met logische noodzakelijkheid dat het een uit het ander voortkomt. Hier zien we dus dat James Hume’s ideeën over causaliteit goed bestudeerd heeft. Bovendien, zegt James, kun je altijd een hersenwetenschapper de vraag stellen hoe die productie van bewustzijn door hersenactiviteit in zijn werk gaat. Je zult zien dat een hersenwetenschapper dan met de mond vol tanden staat.

Maar hoe zit het nu met onsterfelijkheid? De transmissie-idee veronderstelt dat er altijd een “bewustzijnswerkelijkheid” is die achter of onder
onze waarneembare werkelijkheid schuilgaat, en dat menselijke hersenen die werkelijkheid filteren en doorlaten, zodat iets ervan in onze werkelijkheid zichtbaar is namelijk als bewustzijn en levenskracht. Als onze hersenen echter defect raken of zelfs sterven, dan zal die bewustzijnswerkelijkheid zelf natuurlijk niet verdwijnen. De signalen zullen dan vervormd worden en wellicht zal ons bewustzijn verdwijnen (in de zin van niet meer zichtbaar zijn voor anderen). Maar de bewustzijnswerkelijkheid zelf blijft.

Maar moeten we ervan uitgaan dat er slechts één bewustzijn is? Zou het niet zo kunnen zijn dat er verschillende “bewustzijnen” zijn, misschien net zoveel als er levende dingen zijn? Hier lijkt James een link te leggen met Aristoteles’ idee van de ziel als de vorm van levende wezens. Want inderdaad, zegt James, hoewel wij altijd naar eenvoud streven, is het niet uit te sluiten dat er net zoveel bewustzijnen zijn als dat er levende wezens zijn. En dat, bovendien, al die bewustzijnen overleven na de dood. En dat geldt niet alleen voor mensen en dieren, maar – conform Aristoteles – voor alle levende dingen. Wie weet bestaat het bewustzijn van elk levend wezen wat ooit geleefd heeft nog steeds, hoewel we het niet kunnen waarnemen. Ergo, concludeert James,
For my own part, then, so far as logic goes, I am willing that every leaf that ever grew in this world’s forests and rustled in the breeze should become immortal. It is purely a question of fact: are the leaves so, or not? Abstract quantity, and the abstract needlessness in our eyes of so much reduplication of things so much alike, have no connection with the subject. For bigness and number and generic similarity are only manners of our finite way of thinking; and, considered in itself and apart from our imagination, one scale of dimensions and of numbers for the Universe is no more miraculous or inconceivable than another, the moment you grant to a universe the liberty to be at all, in place of the Non-entity that might conceivably have reigned.

Het denken over de relatie tussen hersenen en de ziel in termen van transmissie, is een mogelijkheid die we niet kunnen uitsluiten, zegt James. Dat wel doen would be letting blindness lay down the law to sight.

Ik heb hier slechts een fractie van de boeiende gedachtestrengen van James weergegeven – het loont werkelijk het hele essay zelf te lezen. Het interessante en actuele aan dit essay van James is bovendien, dat het zeer dicht in de buurt komt bij (door wetenschappers omstreden) ideeën die door bijvoorbeeld Pim van Lommel en Dick Mesland worden besproken.


Dr. Taede A. Smedes (Drachten, 1973) is godsdienstfilosoof en theoloog, werkzaam als Senior Onderzoeker aan de Faculteit der Filosofie, Theologie, en Religiestudies (FTR) van de Radboud Universiteit Nijmegen.