zaterdag 19 februari 2011



Friesch Dagblad
HOOFDARTIKEL
zaterdag, 19 februari 2011


De moerbeiboom...
Ouderen kennen het wellicht nog, het gedicht: De moerbeitoppen ruisten. Het is van Nicolaas Beets (1814-1903). De beginregels zijn de bekendste:

De moerbeitoppen ruisten
God ging voorbij
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;
Sprak tot mij in de stille,
De stille nacht.


Het gedicht legt een verbinding tussen God, de schepping/natuur en de mens. Op bepaalde wijze is de schepping een wijze van openbaring van God. De gedachte dat God van zich laat horen in de schepping is een voluit bijbels gegeven. Tot op de dag van vandaag ervaren mensen de schepping als verwijzing naar God. Bijvoorbeeld in de ontroering over een bloem, over de nevel boven de velden of in de diepe verwondering over de sterrenhemel.

Verwondering, zegt de joodse filosoof Heschel, is onze reactie op het verhevene. Datgene waarover we ons verwonderen gaat ons verstandelijk begrijpen te boven. Heschel: ‘De wortels van de uiterste inzichten worden (...) gevonden op het niveau van de verwondering en van de radicale verbazing, in de diepte van ontzag, in onze gevoeligheid voor het mysterie, in ons besef van het onuitsprekelijke. Het is het niveau waarop de grote dingen met de ziel gebeuren (...).’

De dichter Beets schreef over zo’n moment van het diepste inzicht dat een mens kan hebben. Plotseling hoorde hij in het ruisen van de bomen iets; hij wist wat dat was: God gaat voorbij. Zo leek het, tenminste - de mens begrijpt niet altijd direct wat hem overkomt: God ging niet voorbij, maar hij blééf. De aanwezigheid van God bleek nóg meer te zijn: God sprak tot de dichter wetende wat hij behoefde. Het was geen gewoon spreken, maar een verborgen spreken, ‘in de stille nacht’. Hier duidt de dichter op de belangrijke notie van het innerlijk horen. De diepste dingen gaan de klank voorbij; ze worden in de ziel woordeloos gehoord. Dat woordeloos spreken en dat zonder woorden horen leidt tot een verbondenheid die ieder redenerend begrijpen te boven gaan. Het is geen verbondenheid die grenzen verbindt. De ziel is open en raakt vervuld: God begrijpt wat de dichter nodig heeft, zonder dat die iets heeft gezegd.
De dichter Beets laat zien wat er kan gebeuren met een mens als die luistert naar wat in de schepping kan worden vernomen. Zulk horen vraagt eerst om zien, in verwondering. Daarin ziet de mens het verhevene. De biologische beschrijving van de moerbei en de natuurkundige verklaring van het ruisen geven de mens niet het vermoeden van het verhevene en doen de moerbeiboom maar ten dele kennen. De boom gaat voor de dichter spreken als hij die boom plotseling als schépping ziet. In het ruisen van de toppen hoort hij de Schepper van de boom en kan hij Hem ervaren.
De verwondering over de schepping, de ervaring van het verhevene en het zich bewust worden van God, vragen dat de mens tijd en ruimte neemt. Tijd: het stilstaan bij wat je ziet en het niet voorbij kijken aan wat zich toont. Ruimte: het kunnen zien van het geheel van de boom in de grootsheid van de schepping en het overstijgen van de beperktheid van de kennis van de boom die biologie en natuurkunde opleveren.
Het moderne leven verleidt de mens om de boom voorbij te lopen - er zijn zo veel andere dingen belangrijk. Die belangen kunnen er toe leiden dat de mens geneigd is de boom te kappen, vanuit de over-vraag naar grondstof, productie en verbruik. Ook al weet die mens dat de schepping niet zonder de boom kan voortbestaan.

...als gave en als opgave

Het is een opgave voor de moderne mens om te leven in verwondering - om de Verhevene te ervaren - en vanuit die ervaring met de schepping om te gaan. Een begin is de schepping leren kennen tot buiten de begrenzingen van biologie, natuurkunde en biologie. Zo’n omgang leidt tot meer en andere kennis dan de gebruikelijke. Die kennis rust de mens toe om de schepping/natuur te zien als gave en als opgave.